Tips - en meer - uit de praktijk voor bij de raad betrokken personen

Kruip in de huid van

Kruip in de huid van. Je zult op 1 januari 2015 maar raadslid zijn…..,

dan slaap je denk ik oudjaarsnacht onrustiger dan normaal en dat heeft dan niet alleen met de champagne en oliebollen te maken. Nee, op 1 januari van het volgend jaar ziet de wereld van raadsleden er anders uit. Je bent vanaf dat moment verantwoordelijk voor de decentralisaties. Of je wilt of niet, dat maakt niet uit; je hebt geen keuze. Het is zo. Decentralisaties klinkt nog tamelijk abstract waardoor jouw nachtrust nou niet gelijk wordt verstoord. Schijn bedreigt.

In toenemende mate word je van alle kanten op allerlei manieren met informatie overspoeld, waardoor het lastig is om in het spreekwoordelijke bos nog een boom te zien. Je moet als raadslid sterk in je schoenen staan om een goede schifting uit deze informatiebrij te maken. Dat is al een hele prestatie.Nog belangrijker dan de hoeveelheid informatie is ‘de toon van de muziek’. Je moet bijna blind en doof zijn om niet tot (zelf)reflectie te worden geprikkeld. “Hoe kan de raad zijn rol pakken? Hoe krijg je als raadslid grip op de regionale samenwerking? Waar moet je zeker op letten”, enzovoort. De raad doet ertoe, wordt geschreven met een vet uitroepteken! Ook via de partijlijn word je op het juiste (partij)been gezet en gevoed met informatie.

De precieze omvang, invulling en vertaling van de plannen zijn vlak voor de zomervakantie bekend geworden bij de finale behandeling van de voorstellen in het Haagse. Natuurlijk zijn de plannen niet zomaar uit de lucht komen vallen, ze zweefden en zoemden al een hele tijd in de lucht. Dat was ook de reden waarom je als raadslid het college al veel eerder scherp aan de tand hebt gevoeld. Veelal zonder resultaat. “Het is nu te vroeg om een antwoord te kunnen geven, we weten nog niet hoe het precies wordt. Aan luchtfietserij en bangmakerij hebben we niks” heeft menig wethouder geantwoord op vragen van raadsleden. Als raadslid moet je sterk in jouw schoenen staan en vasthoudend van aard om daar geen genoegen mee te nemen. De vakwethouder zal het wel beter weten.

Na het reces is alles in een stroomversnelling gekomen. Pleidooien voor uitstel, vaak doorspekt met feiten en belangrijke gegevens, hebben geen resultaat. Invoeringsdatum blijft 1 januari volgend jaar. Terugrekenend kom je uit op nog vier maanden voorbereidingstijd. O, dat valt toch nog wel mee? Vier maanden is ongeveer 70 werkdagen en kijk eens hoe lang jullie normaal over een raadsvoorstel doen? Hoeveel dagen/weken heb je nodig om tot een raadbesluit te komen? In het eerste presidiumoverleg na de vakantie meldt het apparaat alvast dat er de komende maanden een groot aantal voorstellen en besluiten naar de raad moeten, het liefst nog voor december; er wordt zo weer een maandje van jouw voorbereidingstijd afgesnoept. Hoeveel precies en wanneer is nog niet bekend. Een aantal gemeenten is onlangs door het rijk onder verscherpt toezicht geplaatst, omdat ze de zaken niet goed op orde hebben richting een vlekkeloze invoering van de decentralisaties. Sommige onderwerpen worden in een groter verband opgepakt door middel van regionale samenwerking. De materie is zo ingewikkeld dat je deze als gemeente niet alleen kunt oppakken. Heb je als raadslid pech, dan wordt deze samenwerking ook nog in de vorm van een gemeenschappelijke regeling gegoten.

In de provincie Groningen hebben de 23 Groninger gemeenten een aparte organisatie opgericht voor de inkoop van Jeugdzorg. Deze nieuwe organisatie heeft nog vier maanden de tijd om contracten met de zorgaanbieders af te sluiten. Wethouder Van der Schaaf van Groningen is blij dat de inkoopcentrale aan de slag kan. “Vanaf 1 januari valt de Jeugdzorg onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten, daarbij is continuïteit van enorm belang. Het allerbelangrijkste is dat de zorg op orde blijft”. Zo word je nog maar eens te meer op jouw verantwoordelijkheid gewezen. Wat weet ik als raadslid van het inkopen van Jeugdzorg? Hoe kan ik de deskundigen de juiste kaders meegeven?

Tegelijkertijd plaatst Paul Frissen, een vooraanstaand bestuurskundige, vraagtekens bij de autonomie van de gemeenten. Hij ziet nu al een tendens dat het voor de centrale overheid lastig is om taken los te laten. “Na decentralisaties blijkt het Rijk zich juist steeds meer te bemoeien met de lagere overheden. Ook nu is dat weer het geval. Elke monitor is een stap naar verdere bemoeizucht. Opvallend is dat juist de lokale overheid aan alle kanten wordt ingepakt in haar ruimte om van de nieuwe taken een succes te maken. Het gelijkheidsdenken werkt tamelijk dwingend en het aanbieden van model verordeningen en de promotie van best practices verkleint de verschillen nog meer”.

Gelukkig biedt jouw gemeente de helpende hand en organiseert een aparte informatiebijeenkomst en in sommige gevallen zelfs een heuse ‘grote decentralisatie-dag’. Fijn. Zonder meer en met de beste bedoelingen. Je hoort de extern deskundige met overtuiging betogen dat de decentralisaties de gemeente, de raad en de raadsleden veel ruimte bieden. Natuurlijk zit er ook een forse bezuinigingscomponent in, voor sommige onderdelen met 25 %, maar je mag nu zelf keuzes maken en nergens staat dwingend geschreven dat je geen aanvullend beleid mag voeren. Je mag best meer en als je wilt veel meer besteden aan deze belangrijke onderwerpen. Je krijgt veel meer keuzevrijheid en het eenheidsdenken wordt losgelaten. Er is sprake van lokaal maatwerk. Dat klinkt allemaal heel plausibel. Nadat deze woorden bij jou zijn binnen gekomen, gaan er toch wat alarmbellen rinkelen. Ja, dat kan dan wel zo zijn, maar de gemeentefinanciën staan al een tijdlang onder druk. Het vet is weggesneden en er komen financieel nog zware tijden aan. ‘Hoezo, kunnen we als gemeente meer doen’? Over de hele gemeentelijke linie is het adagium ‘minder in plaats van meer’.    

Maar liefst drie ministers gaan ‘buurten’ in Denemarken en komen met een geruststellende gedachte terug. “In Denemarken, waar de gemeenten ook verantwoordelijk zijn voor het Jeugdbeleid, gaat het goed”. Zonder precies zicht te hebben op deze materie en vergelijk tussen beide landen, ademt dit de sfeer van ‘Deense appelen vergelijken met Nederlandse peren’. Nederland en Denemarken zijn niet één dimensionaal te vergelijken. Vorige week trok de voorzitter van Jeugdzorg Nederland aan de bel. Hij maakt zich grote zorgen. “Het is geen vijf voor twaalf, maar vijf over twaalf”. Op 1 januari zijn de gemeenten er nog niet klaar voor om deze verantwoordelijkheid te dragen. Deze week lees ik dat de wethouders van de G4 en G32 steden in een brief aan de Tweede Kamer schrijven dat “de inkoop van de Jeugdzorg door gemeenten wordt bemoeilijkt door het ontbreken van goede gegevens over aantallen jeugdigen in de zorg. Het budget voor 2015 is, gelet op de forse groei in de Jeugdzorg, te laag vastgesteld. De bezuiniging waar de gemeenten voor staan is hoger dan tot nu toe werd voorspeld”.

Ben ik nu te veel aan het somberen? Ik denk van niet. In ieder geval ben ik in de regel optimistisch van aard. Dat kan het dus niet zijn. Mijn bedoeling is ook zeker niet om raadsleden de put in te praten. Integendeel, ik vind - niet alleen vanuit mijn beroep, maar ook vanuit overtuiging - dat de raden in positie moeten worden gebracht. Daar geen twijfel over, maar dan wel op de juiste manier en op basis van meer dan alleen lippendienst. De raad doet er toe! De decentralisaties zijn - gezien vanuit het perspectief van de raad - voorbeelden hoe het niet moet.

Ik gun raadsleden graag een goede nachtrust, ook tijdens de komende jaarwisseling. Gelukkig stopt de wereld niet op 1 januari volgend jaar. Laten we vanaf nu de focus verleggen van een eenmalige transformatie naar een transitieproces en de eindstip van deze ingrijpende operatie leggen over twee of drie jaar. Dat geeft wat ruimte in het hoofd en tijd om de raad nu wel goed in stelling te brengen. Erop vertrouwen dat het nu allemaal wel goed komt, lijkt mij niet raadzaam. De raad mag wel wat meer ‘leeuw worden’. Een leeuw doet overigens meer dan alleen maar brullen, soms bijt hij van zich af. Niet altijd natuurlijk. Alleen maar wanneer het echt nodig is. Een kenmerk van een leeuw is dat deze ook vaak slaapt. Dat is helemaal niet erg. De rest weet toch wel hoe sterk hij is en houdt daar serieus rekening mee. Ook wanneer een leeuw ligt te luieren. De hele transitie kan wat dat betreft meer dan 10 jaar na de invoering van het duale stelsel mooi worden gebruikt als katalysator. Laten we dan gelijk kijken hoe wij invulling kunnen geven aan de participatiemaatschappij. Alleen navelstaren is niet voldoende.

De raad doet er toe!  Toch?

(De griffier, 9 september 2014)